VU Magazine – Clairy Polak: ‘Iemand ervan moeten overtuigen dat hij Alzheimer heeft is afschuwelijk’

Clairy Polak (63) schreef de roman ‘Voorbij, voorbij’ over de alzheimer van haar man, die onlangs overleed. “We wisten wat alzheimer was, maar ik werd er toch door overvallen.”

Waarom besloot u een roman over uw verhaal te schrijven?

„Het was een manier om alles van mij af te schrijven. Toen ik Nico naar het verzorgingstehuis had gebracht had ik pas tijd om te reflecteren. Wat was ons afgelopen jaren in hemelsnaam overkomen? Ik wist wel wat alzheimer was, maar ik werd er zo door overvallen. Ik had de behoefte om het op te schrijven. Dat lukte pas toen ik het andere mensen liet beleven.”

„Sindsdien krijg ik veel reacties en brieven van mensen die zich herkennen in één van de twee personages. Ik ben blij dat het gelukt is iets te beschrijven waar weinig woorden voor zijn. Dat mensen steun voelen en zich vooral begrepen voelen. Ik voelde me – als mantelzorger van iemand met alzheimer – doorlopend onbegrepen. Zowel door mijn man, als door de buitenwereld.”

„Het kwam voor dat hij wel drie keer op een dag wegliep van huis.”

Wanneer wist u bij Nico dat het niet zomaar iets was?

„Het probleem met alzheimer is dat je het ziekteproces heel moeilijk kunt markeren. Het begint met kleine incidenten. Nico vergat zijn sleutels, herkende een bekende niet, raakte de weg kwijt. Eigenlijk wist ik al een tijdje dat het niet goed zat. Ik kon het niet langer ontkennen toen we een weekend naar Oerol op Terschelling waren. We hadden samen gegeten waarna hij even naar de wc ging. Nico kwam niet terug. Een uurtje later vond ik hem in de duinen. Hij wist niet meer waar hij was. Toen wist ik: we moeten onder ogen zien wat er aan de hand is. Iemand ervan moeten overtuigen dat hij alzheimer heeft is afschuwelijk.”

In het boek beschrijft u dat het thuis steeds erger werd. Wanneer werd het onhoudbaar?

„Het kwam voor dat hij wel drie keer op een dag wegliep van huis. Dan achtervolgde ik hem, maar holde hij weg. Hij dacht dat ik politie was. Even later zei hij: ‘Hé schat jij ook hier?’. Toen hij er ook ’s  nachts vandoor ging, kon ik het niet meer aan. Ik deed geen oog meer dicht en raakte – naast geestelijk – ook lichamelijk uitgeput. Toen moest ik hem met pijn in mijn hart naar een verzorgingstehuis brengen. Het was vreselijk om hem daar achter te laten, maar ik had geen keuze. Hij was aanvankelijk vreselijk boos. Kort daarna wist hij niet meer dat het was gebeurd.”

Clairy raakt geëmotioneerd. Dan vervolgt ze: „Alzheimer is een venijnige ziekte. Het is een ziekte waarbij het ene moment heel erg is, en het andere moment toch weer een vonkje helderheid overschiet. Het ene moment herkende hij me niet, het volgende zei hij: Hè schat, wat fijn dat je er bent. Er is geen handleiding om ermee om te gaan. Ik ben op een gegeven moment van tactiek veranderd door met hem mee te praten in plaats van er tegenin te gaan. Als zijn overleden moeder zogenaamd had gebeld, zei ik niet meer: dat kan niet want ze is al 20 jaar dood. Dan vroeg ik: Goh, hoe gaat het met haar? Je kunt iemand niet meer als volwaardig beschouwen of behandelen. Dat was moeilijk.”

Hoe gaat het nu?

„De hoofdpersoon in het boek gaat niet dood. Mijn Nico is wel dood. Hij is afgelopen Bevrijdingsdag gestorven. Ik zit nog in een rouwproces. Veel dingen die normaal bij rouw komen kijken, heb ik al gehad. Alleen eten, alleen opstaan, alleen thuiskomen – dat heb ik al doorgemaakt nadat ik hem naar het verzorgingstehuis bracht. Maar ik mis hem wel, als ook de bijna dagelijkse gang naar het tehuis toe.”

„Ik vond het heel eng om in de openbaarheid te treden.”

In het boek schrijft u dat u op een ochtend wakker wordt en geen zin hebt om op te staan, maar ook niet om te blijven liggen. Nergens heeft u meer zin in. Ervaart u zulke momenten nog steeds?

„Ik beschrijf de gemoedstoestand van mijn hoofdpersoon. Maar goed, het is onderdeel van het rouwproces dat je doorgaat en daar leer ik steeds beter mee omgaan. Of het nou van het een op het andere moment is, of in een langzaam proces als alzheimer, het blijft afscheid nemen van iemand en dat gaat met ups en downs.”

In een eerder interview zei u dat u liever niet veel loslaat over uw privéleven. Toch heeft u dat met dit boek wel gedaan. 

„Ik heb er mijn hele leven voor gewaakt dat mijn privéleven vermengd zou worden met het openbare leven. Ik vond het heel eng om in de openbaarheid te treden. Alles ligt op straat en mensen vinden daar wat over. Plotseling schrijf je over je wanhoop, je eigen onmacht. Dat je bij tijd en wijle toch iemand vervloekt bijvoorbeeld, terwijl hij er niets aan kon doen. Dat aan jezelf toegeven, en dan ook nog aan de wereld laten zien, was lastig. Ik heb me blootgegeven. Achteraf gezien heb ik er geen spijt van.”

„Ik was geen type student waarvan je hoopt dat de meerderheid zo is.”

Waarom wilde u niet in de openbaarheid treden?

„Vanwege de ervaringen van herkend worden uit mijn jeugd. Mijn vader was een bekende Nederlander [acteur en tekstschrijver Alexander Pola, red.]. Hij kwam ook op tv; in een tijd waarin er maar twee tv-zenders waren en er dus zes miljoen mensen naar hem keken. Als wij op vakantie in Zwitserland waren, kwam het vaak voor dat plotseling een wildvreemde meneer op ons afstapte en ons joviaal begroette. Het liefst dan ook nog als we hijgend een bergtop beklommen hadden. Daarom leerden wij ons aan in het buitenland Zwitsers met elkaar te praten.”

Waarom bent u ooit politicologie gaan studeren?

Clairy barst in lachen uit: „Je weet wel dat ik die studie nooit heb afgemaakt?” en vervolgt: „Ik wilde iets met communicatie gaan doen. Ik had de wens om journalist te worden en ik was afgewezen voor de School voor Journalistiek Utrecht. De studie bleek echter een uitgebreide cursus algemene ontwikkeling te zijn. Heel nuttig, maar het kon mij niet zes jaar lang boeien. Daarnaast besteedde ik mijn tijd liever als bestuurslid van het Culturele centrum van de VU.”

Met veel geradbraakte nachten?

„Ik herinner me er inderdaad wel wat. Ik was geen type student waarvan je hoopt dat de meerderheid zo is. Ik deed wat ik doen moest en zorgde dat ik voldoendes haalde. Een paar dagen voor het examen las ik mijn boeken door. Uiteindelijk ben ik enigszins bij toeval toch nog journalist geworden.”

„Er is niets gepland in mijn professionele carrière.”

Vertel!

„Mijn journalistieke carrière begon bij de Uitkrant. Daar notuleerde ik de vergaderingen. De hoofdredacteur vroeg of ik mee wilde werken aan de krant omdat hij mijn notulen zo goed vond. Waarop ik vroeg: denk je wel dat ik dat kan? Zo is de rest van mijn hele carrière gegaan en ben ik bij de radio en tv gekomen. Er is niets gepland in mijn professionele carrière. Wat helpt is dat ik een ongebreidelde interesse in alles heb.”

Wie zou u nog graag willen interviewen?

„Angela Merkel zou ik buitengewoon interessant vinden. Min of meer de machtigste vrouw van de wereld en met haar achtergrond uit Oost-Duitsland. Zij moet een enorm incasseringsvermogen hebben. Ik ben heel nieuwsgierig naar haar. Toch zal zij nu nooit het achterste van haar tong laten zien. Beter als ze een tijdje uit functie is. Wie weet, misschien spreek ik haar ooit nog eens.”

Fotografie: Maarten Delobel

1 maand ago

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *